Mistral, klussen en (Zuid) Frankrijk

Het is inmiddels een traditie. Op 1 januari vertrekken we naar Zuid-Frankrijk om te klussen, onderhoud te plegen en nieuwe plannen te maken voor het Centre Erasme. Onderweg overnachten we in een plaatsje ergens halverwege, in de Haute-Marne of Bourgogne. Dit jaar was dat Doncourt-sur-Meuse. Vorige keer was het Bèze.

Het was mistig in Doncourt en de akkers en weilanden oogden verlaten op enkele grazende koeien na. Voorbij Lyon maakten de loodgrijze luchten plaats voor het strakke blauw van Zuid-Frankrijk. De zon werd sterker. De omgeving rotsiger. Maar ook groener, door de pijnbomen die hier bij bossen tegen de hellingen staan. Tegelijk oogt het landschap kaal. De wijnranken hebben hun blad nu verloren en staan naakt tussen de rood-bruine, door de mistral gedroogde aarde. Mistral noemen ze hier niet voor niets “mange-fange”: modder-eter.

De mistral heeft haar eigen legenden. Volgens een oud Zuid-Frans spreekwoord is de mistral één van de drie gesels van de Provence. Naast de grillige rivier de Durance en het evenzo grillige regime dat zetelde in Aix-en-Provence. Wij beginnen de mistral inmiddels wat beter te leren kennen. De zomerse mistral die een aangename verkoeling op hete dagen kan betekenen. En dus ook de winterse mistral die minder zachtzinnig is.

Twee jaar geleden, bij ons eerste januari-bezoek, liet de winterse mistral ook al van zich voelen. Drie dagen lang. Volgens de weersvoorspelling zou de mistral dit keer drie weken aanhouden. De bewoners worden dus drie weken overgeleverd aan een ijskoude bergwind met windstoten tot boven de 100 kilometer per uur. De lokale bevolking zet zich daarom schrap en blijft binnen of loopt ingepakt met petten en mutsen gebogen tegen de wind in. Van dit geweld maakten wij één week mee en dan ook goed: we hadden veel buitenklussen op de planning.

Bomen snoeien op de cour en nieuwe bomen planten als compensatie voor de verloren gegane plataan. Schoonmaken, opruimen. Binnen, maar vooral veel buiten. Het indelen van de vernieuwde keuken en het aanpassen van de buitenkeuken. Kortom: we begrepen wel waarom de winterse mistral een gesel wordt genoemd.

Vanuit ons Noord-Europese perspectief dat van doorpakken houdt, komt daar nog één gesel bij. De grilligheid van de  verder zo aangenaam gemoedelijke (zuid) fransen. Als wij in enkele dagen tijd bomen willen planten, brandblussers op willen hangen, een vaatwasser willen installeren, de airco willen verplaatsen en nog een reeks klusjes dan stuiten we natuurlijk op wat tegenslagjes. De loodgieter blijkt met pensioen te zijn gegaan en neemt de telefoon niet meer op, de stroom valt uit, winkels zijn opgedoekt of tot nader order gesloten en tal van andere zaken zijn “helaas pas weer een week later leverbaar”.

Het was een vertrouwd en prettig weerzien. We hebben gedaan wat we wilden en meer. Enkele kennissen en vrienden ontmoet en verder het Centre weer in ons hart gesloten. De stilte. De sterrenhemel en de vele hoekjes en zitjes op de cour. Dat maakte ons bezoek ook wat onwerkelijk. De anders immer bedrijvige cour was leeg en de majestueuze plataan gereduceerd tot een enorme verzameling zwiepende takken, ook gebogen onder de gesel van het zuiden.

We zien uit naar ons volgende bezoek, ergens in mei wanneer alles weer tot bloei is gekomen. Hopelijk inclusief de geplante bomen.