Sartre, Drongen en Ruud Welten

Afgelopen weekend was ons eerste cursusweekend in Drongen. De oude Abdij van Drongen. Ooit een opleidingscentrum voor Jezuïeten. In 1968 werd het gesloten. Toevallig of niet, het jaar van de rellen in Parijs met de studentenrevolte van mei ’68. Het jaar van het verzet. En daarmee, met stakingen en een massale roep om vrijheid, op een manier ook het jaar van Sartre.

Inmiddels is het klooster een bezinningscentrum. De jezuïeten zijn grotendeels verdwenen, op de zondagen na. Dan zijn er nog vieringen in de parochiekerk die aan de Abdij gebouwd is. Anno 2019 is de Abdij vooral een verzamelplaats voor rustzoekers, studenten uit Gent die de studiezaal bevolken en, voor deze keer, het Centre Erasme. Om ons te verdiepen in Sartres hoofdwerk. Het invloedrijke maar ook verguisde Zijn en het Niet. Door Heidegger smalend een knap staaltje “journalistiek” genoemd en door academici vaak weggehoond als lectuur voor pubers.

Dat men met “het puberale“ niet het niveau van Sartres werk niet kan hebben bedoeld, is elk van onze deelnemers meer dan duidelijk geworden. Het boek leest, in weerwil van Heideggers kwalificatie, ook bepaald niet als een artikel uit de Correspondent. Het boek is bezet met dichte, hermetische formuleringen die overigens wel op veel plaatsen opgeluisterd worden met concrete voorbeelden. Zoals de man voor het sleutelgat die zijn overspelige vrouw gadeslaat, tot iemand hém waarneemt. Dan transformeert hij tot jaloerse echtgenoot, tot een beeld in de ogen van de ander.

Het puberale zit dieper weggestopt in de filosofie van Sartre. Het is een “verzetsfilosofie” zoals Ruud het karakteriseerde. Geschreven als aanklacht tegen de Vichy-collaboratie van Zuid-Frankrijk. Omstandigheden, zo luidde de kritiek van Sartre, determineren ons niet. Het zijn eerder uitnodigingen om onszelf telkens opnieuw te doordenken en uit te vinden. De mens is niets vóór de keuze uit. Het blijft ook niets, omdat het telkens weer opnieuw kiest. Alleen bij de dood wordt de mens iets, dan valt er niets meer te kiezen.

Ruud heeft ons op indrukwekkende wijze door Sartre heengeleid. Vastbesloten ons tot de conclusie te leiden. Op zondagmiddag, bij het afsluitende middagmaal, konden we met elkaar het glas heffen: we hadden het gehaald. Een prestatie. Van de groep én van Ruud. Dat hij het gedaan heeft en hoe hij het gedaan heeft. Erudiet en bevlogen. Inhoudelijk maar ook luchtig. Rijk maar tegelijk systematisch. Het is duidelijk dat de Franse filosofie de thuishaven is voor Ruud. Ook in het plezier dat hij er uit haalt. Zij het op een ander Centre Erasme-podium dan in Zuid-Frankrijk.

In plaats van de zon van het zuiden, dit keer de lange galmende gangen van de Abdij. In plaats van de cour, dit keer de eetzalen. Toch zijn de beide locaties in monastieke sfeer ook wel weer vergelijkbaar. Passend bij het studieklimaat dat we nastreven.

We zijn blij met het verloop van ons eerste weekend. Er zijn verbeteringen mogelijk. Niet alles ging perfect en ook het schema kan wel iets luchtiger. Tegelijk zijn we ook trots. Het Centre Erasme is er nu ook in de weekenden. En in België.